Bloemen (2)

Leefbaarheid is lariekoek!

Iedereen wil op een leefbare plek wonen. Leefbaarheid staat hernieuwd in de belangstelling bij de vorming van een nieuw kabinet. Het is iets groots en tegelijkertijd ook iets heel lokaals. Welke evolutie heeft het begrip leefbaarheid in de afgelopen decennia doorgemaakt? En waar staan we nu?

Fysieke benadering

De definitie van het begrip leefbaarheid is het beste invulling te geven door naar het tegenovergestelde ervan te kijken. Wanneer is een gebied of plek onleefbaar? Als gevolg van inbraken, drugscriminaliteit of verpaupering? In de jaren ‘80 en ‘90 van de vorige eeuw waren stadsvernieuwing en stedelijke vernieuwing de motor van de fysieke benadering. Wijken en buurten moesten schoon, heel en veilig zijn. Leefbaarheid was heel tastbaar; gemeenten en woningcorporaties investeerden volop in huizen, pleinen en speelplekken.

Sociale invalshoek

Met Pim Fortuyn als landelijk markeringspunt verschoof de aandacht vanaf de eeuwwisseling naar meer ‘sociale’ leefbaarheid. Vraagstukken op het gebied van samenleven en ook de groeiende onvrede over (vermeende) ongelijkheid tussen autochtoon en allochtoon staken de kop op. Ondertussen schoten op lokaal niveau politieke groeperingen met ‘leefbaar’ in hun naam als paddenstoelen uit de grond.

Stad versus platteland

Met die laatste ontwikkeling ontstond de ‘geografische’ leefbaarheid. Enerzijds met als doel de bescherming van de eigen (gemeente-)grenzen om op die manier de ‘rechten’ als inwoner te kunnen effectueren. Daarnaast heeft de geografische benadering van leefbaarheid in bijvoorbeeld Groningen zijn sporen nagelaten. De gaswinning in een randgebied van Nederland deed het contrast tussen (de beslissers in de) stad versus het platteland groeien, de een profiteert en de ander zit op de blaren. Want scheuren in je huis, dat is pas onleefbaar.

Omzien naar elkaar

Tot slot - en daar lijken we nu aanbeland - kunnen we spreken over de saamhorigheids-leefbaarheid. Overheden hebben op het gebied van bijvoorbeeld zorg een stapje teruggedaan, daarom zijn omzien naar elkaar, informele netwerken en burgerkracht belangrijker geworden. Recent gaven VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland in reactie op de verkiezingsuitslag aan dat stedelijke vitaliteit in combinatie met een leefbaar landelijk gebied belangrijk is.

Onze open oriëntatie als Nederland ten opzichte van de rest van wereld heeft economische voordelen. Maar welke prijs heeft het? In welke mate willen we afhankelijk zijn van de woelige wereld om ons heen? Of willen we juist lokaal én samen met elkaar kansen pakken om te doen wat goed is voor een dorp of gemeenschap? Duurzame energie opwekken, als collectief zorgcoöperaties oprichten. De-globalisering lijkt de nieuwe norm. In dat licht is leefbaarheid geen doel, zorg of wens maar een nieuwe standaard.

simester-0005
189